Arabia Felix 1
In Oman
de hete balsem
van weleer inhalend,
verootmoedig ik mij
voor mijn vader.
Want zijn ogen
flitsen potscherven van
krijgskoorts
en zijn beet wedijvert
met de witte huizen
in het vlekkerige zand.
Moustache,
taai als het
puimsteen van de bergkam in de hitte.
En zijn kromzwaard,
lichtend als de wind
die plotseling aansnijdt
over de zo donker
donkerblauwe zee,
zijn kromzwaard
heeft zojuist een lam
geslacht.
't Is goed.
Mijn voorhoofd raakt
het zand.
Barmhartige gewaden waaien
in de schelle
zonnewind.
Zo schenkt hij mij
de allerjongste vrouw,
de diepst neergeslagen ogen,
roofgoed
uit de Hadramaut.
De bruid verbeidt,
onaangeraakt, beschikking
in een koele kamer.
Arabia wacht.
Een kameel naast mij
verzet een voet,
zacht
zijn gewicht verplaatsend
van de ene
naar de andere zijde.
Arabia Felix II
In Shibam in het oude Sheba
heb ik ooit mijn tijd geteld.
Ik was onkenbaar, had
de lemen wolkenkrabbers lief
en doolde in de geur
van karavanenwind en specerijen
over trappenhuizen onder balkenzwerk,
trok zware deuren open, krabde
aan het van rook droog doortrokken
mompelende oude leem.
School dan in kijkgaten
en zag mijzelf beneden
kruipend smeken in het scherpe zand
tussen de in hun spaarzaam spreken
trotse zonen en niet aan te raken
dochters van de Hadramaut.
Buiten de muren,
eindelijk toch uitgeworpen,
heb ik in de hete nacht
omkomend op mijn rug gelegen
onder de stad en haar
afwerend hooggestoken zwijgen.
Ontstolen boven mij het kleine
kromzwaard dat ik ooit bezat,
stil naar de maansikkel vooruitgevlogen.
Ik wist de wierookkaravanen onderweg,
mij slechts op één
van vele halteplaatsen van een keten,
liet het verstervend lichaam zachtjes los.
Nu licht geworden en rechtmatig eindelijk
en onbesmet
dans ik de zilveren bergen in...
Albatros
(aan Mary)
Antarctisch blauw
de deining,
dit verhaal
waarin geen sterveling ooit
een eeuw of mijl
begrensde.
Toch heerst hier een grenswaarde
in elke zwelling
van apokalyptisch water,
terwijl de wind van helderheid
en koude
geen erbarmen kent.
En vlagen, witte vlagen
aan dit grensvlak opgevlogen,
gunnen in hun korte leven
niemand
méér te zijn
dan wat hij is:
van hier en nu.
De vogel, visser,
drijvend op een Odyssee
die niemand kent,
trekt met de taal van deze wind
vertrouwd,
de vleugels aan.
Homeros zelf
op reis
is hij,
niets meer dan dit
en niemand
minder.
Autostrada, terugkeer
Tussen Modena en Piacenza
heilig rijden. Langs de witte
rechte weg, de stille middaghitte
ademend in zich vastleggend,
liggen vlakke groene velden,
uur na uur zijn die zichzelf genoeg.
Verspreide hoeven,
hoge bogen geven toegang
tot de voorhof of een opslag.
De woongedeelten hebben in een blind beleg
hun rechte vlakken
met oud geel of roest bepleisterd,
vaal doen worden.
Kleine groepen hooggestoken
populieren, stille getuigen her en der,
in sluimerend bijeenzijn van elkander
weet hebbend,
verzwijgen een antiek gerucht.
Want ondertussen droogt een bloedspoor
in het zwarte land. Gedaanten
stommelen en stoten tegen
stenen in de nacht. Ja,
riet en kettingen en klank
van ijzer.
De Bosporus
De weg is bocht na bocht
zichzelf gelijk.
De Zwarte Zee blijft
in dezelfde verte.
Daar plaatst een huis van hout
de voorgevel haaks op de wind.
Wat vroeger Rusland was,
vertelt de deurknop
aan de grijze hand die talmt,
is dichterbij dan iemand denkt.
Zo is 't, beaamt
het licht dat midden op de dag
in deze tropenzomer
onder een Hellasblauwe lucht
al donker lijkt te willen worden.
Bach in Rome
De orgeltonen brachten Bach
tot in het fundament, tot in de grond
en daagden de barokke Jezuïetenkerk
uit. Stenen mompelden in naklank,
schudden stoïcijns het hoofd en
schoven karig oude schulden van zich af.
Onder gewelfbogen klapwiekten
de schaduwen van Rome. Daaronder
zaten de zich veilig wanenden in rotten.
Ouden en onschadelijk gewordenen,
van ver gekomen voor de stad
per busreis. Inclusief concert.
Maar halverwege, uit hun midden,
rees opeens een onbestemde vrouw
omhoog en stond. En niemand
riep die meerpaal tot de orde,
trok die regenjas opzij.
Dwong een van dageraad verstoken leven
haar plantaardig lichaam
overeind?
Wie levenslang antwoord ontbeerde
staat op wanneer het hoge woord
eensklaps wordt uitgesproken.
Op een laat uur werd Roma
toch nog Amor
voor die enkeling.
De vloek over Ba'am
Ba'am ligt
als een melaatse hoogtijdag
onder de zon.
Een mens
heeft, voor zijn heengaan
onder moordenaarshanden,
ooit de stad
vervloekt. En hij was hevig
als een Djinn. Zijn zonen,
vijanden en hun
kindskinderen
die tuimelden en vluchtten
maken nu
achturendagen
elders en zij zijn
haar naam, dit hoge Woord
allengs vergeten.
Maar Ba'am ligt
eeuw na eeuw
onder haar muilkorf
stil
en de kameeltorens van oud-Iran
borduren hier
hun lemen ogen leeg
op zoek naar hoefgetrappel.
Niemand
die hen nog ten dans begeert.
gedichte delta
Pruiken af
heren
de dromen
zijn voorbij.
Voorbij
de dagen
van de wildheid en
van mededogen
nu de delta
is bedijkdicht
het getij hier
hoog
noch laag
meer watert,
de tijdloosheid
met de laatste eb
is heengezogen
met de verre geur
van zee.
Laarzen uit
heren,
slechts op uw tenen
heen
de nacht in.
Going back to China
en op de tonen
van een zoete wind
kantelt het zeil
in weerwil van
de lichte nevel
van de wijde haven
glinstert zonlicht
langs het verre water
en mijn opperhuid
koerst in een jonk
bergen als broden
vleien hier de einder
brengen geuren mee
van stoomboten
en specerijen
meerpalen
een claxon in de verte
waar de stad ligt
hoor
hoe ik mijzelf
herken
Chicago
Niemand te zien. De lucht
staat stram en blauw versteend.
Snippers van oude jachtvelden
liggen zinloos
tussen schoenendooskantoren en
verlaten onder kranen als valbijlen.
Op elke straathoek wachten bakens
en banvloeken op overtreders,
levenden voor wie dit alles
niet gebouwd werd.
Het grote aangemeerde schip
baarde een Kaukasus aan kolen.
Om hier te komen is het
in processie over land gedragen,
onder zang en dansen
in het meer gelaten,
de dode vorst overgevaren,
bijgezet.
Als in de nacht de trotse torens
spiegelen in plassen
langs verlaten asfaltwegen,
lijken zij licht te geven.
Is er leven?
Nee, dat is fantasie van geesten
en demonen die niet
met beide vleugels
kranig op de kolen staan.
Chartres
De torenklok wiegde
met vóórkennis.
Beneden stort het brons
in overrompeling
een klokke twaalf
over ons uit.
Ons licht wordt schel
maar ook onmatig duister.
Want het mededogen
in die klank
betreft ons niet.
Ontluisterd, overhemeld
zullen wij vernemen
hoe zij, van wie wij
al sinds eeuwen dachten
dat zij nooit hadden bestaan,
in torenend beleg
hun overhand hernemen.
Iemand op het plein
loopt mank.
De bommen
zullen nu wel vallen.
Canto Ostinato voor perron en trein
Buiten Parijs liggen de voorsteden
angstvallig stil.
De heuvellanderijen staan
vol slaap en sport en industrie.
Op het station niemand te zien.
De trein waarin ik zit
talmt anoniem. Op het perron
vijf gele polyester stoeltjes,
wortelvast geschroefd in het beton
en stram op rij tussen de treinen in.
Ook dagelijkse dingen
willen meer dan brood alleen.
De stoeltjes komen, roepende
als schipperskinderen, nabij.
Is dit de kans? Jawel!
Geheim en elektriek gaat ergens
voor de lieve treinen en voor
het vergeelde nageslacht van
op de pier gestrande schippers
eindelijk een liedboek open.
De fotomaker
'k Was ook al hier als kind,
als winterkind. Het Luxembourg
wijd in de lichte mist. De takken hoog
en zwart versteend; de balustraden
en klapstoeltjes bogen in de verte
troostend naar voortvluchtigheden.
Ook het oversteken van de drukke
boulevard met hoge zwarte taxi's
en geheimen; ik weet er nog van.
Verlangens waren hopelozer maar
vitaal. Greep op gebeurtenissen
was er niet. En alles
armenheffend, grijs en starend als
een oud verhaal, in foto's bijgezet.
Thans, alle straten blindgegaan,
grenzen geteld, sluit ik mijn dromen,
de camera tot rust gekomen
in hetzelfde park, de jacht
voorbij. Ik zie de herfst met
geur en licht en kinderen in
eeuwig wederkeren
van verlangen en vervulling
om mij heen. Ik kan niet
meer, maar vrees toch het
onstuitbare, het altijd weer
opnieuw beginnen
aan hetzelfde.
Djibouti
Hoe ver gaat een herinnering?
Was ooit je havenmond niet als
de maagd uit Sheba
in haar zilveren vrees
voor de verspieders
van de zoon van David?
Ging er toen reeds
die ritseling door het
windstil gordijn?
Lag het ontzettend
achterland nog als getuige
vuren uit te spiegelen van vrome
middaghitte?
Ook toen dreven er
duistere bedoelingen in het getij,
wedijverend in schoonheid
met de koningin,
met de turquoise zee,
als zwanen zeilend
van en naar de overzij.
Kringloop
Onderweg naar Kashgar
tussen wolvenruggen
en gekromde zwarte wolkentanden
zwiept een stel demonen
grijs van been en bovenmaats
met versleten messen, geitepoten.
Bulderend om hun
aanhoudende vergrijp en het
in puin slaan van elkaar
zijn zij voor stervelingen niet
te spreken.
Opgaand in hun spel,
verachtend wat hen treft,
worden zij opgezogen door de einder
waar de sabelwitte Pamir
hen bekoelt en uitvlakt
tot een wolk, een lange vinger.
Nevelvelden die onzichtbaar
terugkeren naar grijze dalen.
En opnieuw,
vergeten wie zij zijn en waren,
worden de dode bruiden
juichend in de lucht gesmeten
als toverballen
van een boreling.
Voorzanger
Lichtsnel. Een vuist-vol beeldenstormend
spatmetaal, hem op een heuvelzacht
ontbladeringstoneel scheel
in de beenderen geslagen.
Bij Sainte Geneviève,
in de Saint Etienne du Mont!
Het land waar in het oeverriet
de toverslag ontmand werd, takkenzwerk
van vogelend groen schrikdraad werd
en aan schootsvelden
lotsverbondenheid gescheld werd.
Daar is hij, opgelapte koelie,
hoog van doel en volgeschoten,
in het godsambt opgenomen
en door sluipgebied van aftocht
naar Parijs gekomen.
En hier, kreupele in de kerstnacht nu,
voorzanger in de liturgie.
Met zijn papaveren zang drijft,
van de overzijde,
de Mekongmaan als ballon, wit
en windstil de franse kerk in.
Sainte Geneviève,
Saint Etienne du Mont.
Ik zie wel hoe,
als hij zijn armen heft
boven het bevend teder lijf,
die maan een kontinent,
een kind wordt in zijn handen.
In vredesnaam die nacht
de hostie dan maar ingenomen,
die hij me gaf met neergeslagen ogen,
zodat ik buiten schot bleef,
vogelvrij.
(de melodie, zwaar en slepend voorafgaand aan:)
De grote poort van Kiev
(Moussorgski)
Het waait. Tumult
van snuivend stof
met trekkende gebaren
doet vermoeden
dat in Afrika de bomen
duiven baren.
Een grens in een oogwenk
geslecht, terug in
de eigen kraal
onder versleten licht,
glijdt langs mijn zwarte huid
een handvol vingerzand.
De grote poort
schuift ondertussen
mompelend
en met gekromde rug
stenen van dagen voort.
Kiev kantelt
haar klokken
en ik weeg mijn kansen,
vind mijzelf verplaatst
in afstanden
en dromen.
Steeds als ik in Rusland ben,
zoek ik de weg terug
naar Afrika.
Mona Lisa
Het Louvre als een autoroute
tijdens Quatorze Juillet.
Inhalend en tenslotte hatend
wat en masse mij schuifelend
de weg versperde,
werd mijn reisdoel
tot een erezaak. Ik zóu
er komen en niet meer
voor volk en huisraad hoeven staan
als iemand die haar
nooit in 't echt zag.
Meer verlangde ik niet.
Daar, in een markthal vol tumult,
achter op kunst beluste velen
en een zeespiegel aan pantserglas
hing mijn vervulling,
haast te klein voor woorden.
Maar ondanks haar geringe formaat
en haar verstilling
was zij wild, ontzettend.
Niets was meer moreel.
Om eigen zijn
of niet-zijn
even onverschillig
als om de camera's,
het kogelvrije glas,
zó trof,
toen ik vertrekkend omzag,
mij vol de oogopslag
die uitdrukte
wat vrijheid was.
De bruid van Lelystad
De nieuwe stad
ontuchtig maar ontsmet.
Wijdbeens bewoonbaar. Holland op zijn breedst
en vlak en wind en kale bomen.
Het fietspad is gescheiden van de weg.
Eén rijwiel slechts, maar het vervoert
een bruid op de bagagedrager,
schrijlings wapperend wit haar transparante kleed;
Renoir als bloementuil
op een Parijse hoed.
Haar man in zijn te blauwe plastic jack
trapt wind omver
tegen de einder in waar niemand is.
De angel van de oudste droom
dwingt mij het gaspedaal dieper omlaag:
Híer was de bruid! Te laat!
Ik wist het altijd wel,
verkwanseld is zij vlak voor mijn entrée.
Schering en inslag, nagel ik
een struise hoefslag
in het maagdelijke land,
snelwegen in de vingertoppen,
terugkerend met lege handen.
Sassanidisch afscheid
De boog van Shapur staat in Ktesiphon
als het verhemelte van zijn heelal.
Late kamelen dromen nog
onder dit huiselijk bereik van toen,
dat elke morgen samen met de zon
opnieuw de vlakte splijt.
Maar door de wind, het zand des tijds
werd dit bloedschennende gevaarte
uitgeloogd. En elke slavenhand
die stenen heeft gevoegd is nu alsnog,
wáár hij ook is, beloond
met ogenblikken van vrij spel.
Er is getoverd in de grote ruimte
en beraad geslagen, voor de troon gedanst,
verleid. Zo vele hoofden zijn gebogen
of verheven. Zand en bloed is uitgeschud.
Onder 't vraatzuchtige gewelf
sisten griffioenen, klapwiekend van dorst,
als zandstof in oud licht.
Onder dit licht zijn allen die hier waren,
de tallozen en namen, op hun doodsuur
tuimelend uitgevaren en door
misnoegde engelen tot puin en damp geslagen,
ondergespiegeld aan de horizon.
Het gaat voorbij. Nog kan 's nachts
uit het scheurende gewelf
een zachtgebakken steen
in autonoom besluit, neervallen.
En de bleke echo van de plof in 't zand
is ons een laat vaarwel,
Shapur en mij.
De bischop van Sana'a
Geen straat vertelt
dat hij er ooit geweest is.
De hoge rechte huizen weren
met hun lemen wanden
vragen af.
En ofschoon de meeste vensters
nog in wonderen geloven,
ziet geen raam hem staan.
Die ongewenste oude toren
die zijn dagen telt
met adem die hij anoniem ontsteelt
en die, in het vooruitzien, weet
vóórt te bestaan
na wat er komen gaat
in duizend en één straten
als zijn eigen
allereigenste
verstenende ontkenning.
Tolplichtig
Het werd messcherp maar mild,
een stilte in de bus
die niet eerder was voorgekomen.
Een schoolklas. Kunst.
De weg kwijt even buiten Rome.
Een toe-val dreef ons
voort tot óp
de Via Appia Antica.
Een touringcar rijdt daar bij toverslag
op Sperrgebiet spitsroeden,
maar wordt gedoogd.
De weg betrekt een smalle voor
in vloekend meeheulende vlaktes,
is zo goddeloos recht
dat in de lucht nog steeds
de zeisen sissen.
Komen zij ons tegemoet,
de legers van kortstondigen en karren,
onbehuisd de polsen opgestoken, ratelend
van dood en dag aan dag?
Wij worden ongemerkt tolplichtig.
Op de antieke straatstenen
die hier en daar
door karig asfalt steken
maakt de bus rillend maar soepel
révérence op révérence
voor de beelden, graven
en de oude stoïcijnen die
- bomen geworden -
duldend door de eeuwen
bleven.
Rusland
Ik ben de oevergeest
en blaas een oorvijg in het veld
en ik verander, schuifel,
schraap mijn vel.
Ik ben weer dronken
van oud hout dat de veranda schraagt,
hout dat maar tuurt en tekens
van de tamme windkieren afleest.
Ik ben het land
dat alles draagt en duurt.
Zelfs als ik doodsla
lijk ik zacht, kijk als een kind
dat licht uit een glas water puurt.
Ik ben voorbij, maar blijf bewaard,
dans met de monniken en met
demonen nog wat na,
glij dan als rietnevel
de visser tegemoet. Geheim is het.
En in het koor als het mij lust
spring ik als opgestoken handpalm
woest maar zegenend
ikonen in, ikonen uit.
Venetiaans dagboek
Dan snijdt Venetië
een rechte lijn. De achterkant.
Hier houdt het op.
Gezíen,
je witte waterhanden!
En geen geluid meer
dat het voor je opneemt
langs de kade.
Gevels zonder opsmuk
en kaalslag
over het water.
Het turend dodeneiland
aan de overkant:
zo kort en koud
kaatst een verhoor.
De sneeuwman
verliest water.
Vannacht maar ijverig
oortjes kneden
in het brood.
De zomerstad vlekt
kerend nu en zich ontledigend
norsige hemelstenen uit.
Het nakijken. De boot.
De mannen hozen wat ze kunnen.
Uur van verandering
Wachtend in het wildwoud
haal ik witte maskers
van de bomen.
Ik ben donker, hevig,
maar in luisterend bewegen.
Elke snik van water
en de lotgevallen
van het kleinste dierlijke leven
boots ik na.
Het klopt mij
en ik weet
en voel het
tot mij komen,
want ik ben
het blad,
de heimelijke hoefslag in het veld,
de loden schriktrompet van vogel
en mijn zwarte stam,
dromend, verspreid
bij afgekruind groen onderlicht.
Bloed van mijn mij
trekt over heuvels,
tussen hoge grassen,
speelt met water
in de schaduw van het oeverriet
en toetst de schemering,
haar lichte damp
en vlekkerig verschiet
van geest en dans
en voorgeslacht in wortelstronken.
En ik wacht,
verander van gezicht,
meet mij
snel, zwart getekend
op een witte plaat
van boomschors, meel en rubbergom
een nieuwe oertrek aan.
Sonnerie (Marin Marais)
Ik dans
de spiegelzalendans
de spillendans
de nachtelijke-vuren-buiten-dans.
Eh bien,
ook rond mij
knippen poppenmessen,
klokken knietjes,
snakken pruiken.
's Konings zonneblikken
steken ijzeren korsetten
rekenschap
tegen faux-pas.
Hoe lang nog?
denk ik trippelend
in jaren.
Hoofse très chiques
slaken in steekjaponnen,
kuitbroeken en knopen
poederdromen.
Bij Sainte Geneviève,
liefste, verre,
slechts in de melodie
het donkere vermoeden,
een geheim odeur
van elders mogelijke
late troost.
Een weg in Zuid Soedan
Van diep onder de grond
word je omlaaggetrokken
in dit deel van Afrika.
Verpoederende rode sporen. Stof.
De aartsvader van alle wegen
trekt er dreunend, ziende-blind,
een wapenstilstand
door het mateloze groen.
En steeds rondom een flemende,
van eenzaamheid schier
omkomende horizon.
Van achter de heuvel komen,
als een siddering van lucht en licht
door loopgraven van middaghitte,
twee zwarte mannen, soepel
als jachtluipaarden en
op zoek naar jou,
de vierduizend kilometer lange
weg omlaag.