
Aftellen
Een doorsnee werkdag
van de sociale dienst was op tv.
Hij zat daar, zesenvijftig jaar
oud in de standaardkamer
en de juffrouw tegenover hem
was menselijk.
Hij luisterde gedwee. Een heer,
een arbeidsongeschikt verklaarde ridder
met een onbesmet blazoen.
Na twee jaar komt uw uitkering
op zeventig procent
van 't laatstverdiende loon.
Hij glimlachte beleefd. De pluimen
op zijn hoed wuifden ons toe.
Zie je me wel?
En het pensioen?
De wereld is zo oud, zij vriest
de wonden toe,
terwijl de staat je late uren
in procenten uitbetaalt,
en jij het afkalven
van brood en spel
nog deugdzaam gadeslaat
als trof het niet jezelf
maar slechts een vreemde dubbelganger.
Een nieuwe auto gekocht
Toefluistering van glas
achter mijn binnenkomst.
Werd ik verwacht?
Verspreide staalmeesters
van deze ruimte sloegen,
anderen de biecht afnemend nog,
terloops een kwartoog
naar mij uit.
Ik liep, gemeten, en
mijn binnenste aldus van ver
beklopt, beluisterd,
door de voorhof en trok dan,
een voorschot nemend
op het heil van morgen,
uiterlijk snedig nog
van amberkoets tot métallique.
Er lag ikonenweedom
in 't geavanceerde ijzer
van de tempelruimte
en ik wachtte mild
totdat één van de,
door nóg hogeren
met macht bekleedden
tijd vond.
Ter zitting hield hij mij
de jakobsladder voor
en buiten werd mijn wit
staand ros
reeds in de bek gekeken.
Mijn engel vocht,
als Jakob weer.
Bij opbod werd een weg
verschoond, een lot
beslecht.
De glazen uitweg werd
mij nu opengehouden en
herboren legde ik
een uit mijn hoed getrokken
ruisend witte veer
aan staalmeesters
van wijsheid glimlachende
voeten neer.
Een tussentijdse balans
Zoals ik van de eerste speeltuin
naar het heden dreef
is mij niet méér ontvallen
dan wat de eerste teugen zonlicht
in de herfst, onder bruin blad
gesmoord geluid van grind,
de theetuin met de witte houten stoelen,
nevelbevocht,
in milde taal van geur en licht
en ongeduid geluid
beloofden.
Gelaten meet ik
de grijsgecementeerde cel
in Zuid Amerika
waarin de kale wanorde
van een houten bed
de onontkoombaarheid
van lome onanie
gestalte geeft
en weet niet
op welke ontmoeting
ik wacht.
Een Chopin-opname met publiek
Een groot publiek
gereed voor bijwonen,
applaus, levende kuch.
De studio witgrijs, hoog,
hel tl
tussen de mikrofoons
een soort staketseldienst,
een hangplastiek, tandartsendroom.
Dan witte vleugel,
open, staand ros.
Onder spaanplaat
in de achtergrond
vergeten proppen;
dat krijg je
als het gratis is.
Na op een dunne stoel
puntbaard omroep gelispel
-al het licht blijft aan-
komt Russisch zwaargewicht
jong, maar wel in het zwart
en klappen wij bewust
ons eerste werk bijeen.
Is het een boksmatch? Een rodeo?
Binnen de stilte sluipt nu eenzaamheid,
fundamenteel onderscheid:
hij in de ring, wij niet
en dat in alle eeuwigheid.
Omroepers korte knik
en het beest los.
Machinerie van concentratie,
snaar, spier, hout, toets, geest,
wordt on-romantisch,
onverbiddellijk: Chopin.
Zou na de dood iets zijn
als
kloppen tegen Parijse flatmuren,
als hoesten
in Arabië,
als
de zachte schelle stap
van opgedreven geiten,
als
een vis in de Oostzee
die in slaap
onwillekeurig
met haar staart zwaait
als
het piepen van de trams
die vroeger
door de straten reden,
als
onder het deksel van een vleugel
mee mogen luisteren
naar
waar mechanica van snaren
tot Chopin wordt
en als lichte geur
hangt
tussen de balcons van Frankrijk?
Drieslag
Over de ratelende straat
met keien, komt een paard,
een kar, een kist voorbij.
De herfst drijft duiven op,
de regennevel parelt porselein.
Ik, uit het wrak ontkomen
en druipend nog van nood,
mijn lek toestoppend nog
met witte waterhanden,
ik aan wal.
Maar in dat ogenblik
weet ik, een zielsverhuizing
over land en over zee van deze dood
vandaan, de felgekleurde vogels
kwetterend en roekeloos duikend
boven de wolken en hun wit,
de atmosfeer meedogenloos
van blauw en ruimte.
Duinkom
Ik zag een kleine duinkom
en er was wat hei
met verderop
een bosje dennebomen.
Daarboven, waar de lucht
het tere licht
geluidloos koosde,
ontwaarde ik
een menselijk verlangen.
Lichaamloos, onzichtbaar,
doch onstuitbaar dorstend
als een wolk melk in een glas thee
doortastte het de ruimte
boven de kleine hei,
de duinkom
en het bosje dennebomen.
ik heb de badkamer
voor je gewit
maar het werd donker
spiegelscherven hoonlachten
en er was bloed
van mij
Gras
Toen laatst
een koude voorjaarsavondzon
door een uitzonderlijke
spiegeling van glas
in de Utrechtsestraat
de bruine kroeg
onwezenlijk doorstraalde,
ik voorbijreed
en daar
wittige gezichten
dun gezaaid achter de tap
zag schemerlichten
was het
dat ik mij het gras herinnerde
dat lang geleden
door een nieuwe aardlaag was bedekt
en onze tuinman
die
toen hij de zware aarde
over onze grasmat strooide
had geantwoord
nee hoor
dat komt nooit meer boven.
Jacht
Als het hels
en kwaad geschetter
van de honden
armoe
in de straat zaait,
kijk ik speurend
langs de wanden
van mijn kooi,
de gevels
die als vuilnisvaten
overlopen
van geluid
en peil
de diepte
van de speelruimte
in 't blauw daarboven,
roep vergeefs
mijn havik
Kinderspel
Toen ook
de andere kinderen
zeiden: Ja
en jij doet niet meer mee!
stortten wij
de eerste golven
van ontzetting
uit
en tekenden de hoofden
van de slachtoffers
van morgen.
Zo komen zij weer
aan die deur terug,
gewassen door de tijd,
gehersenspoeld door water
weten zij niet meer
wat zij doen:
Blij leren zij
de regels van het spel
af van de beul zijn lippen
en willen meedoen.
Mekong
Wee ons! De zachte nacht,
de fluisterende groene nacht
uiteengereten.
Staan onze tekens daar nog
in het oeverriet?
Zie je daar nog wat je ziet?
Is onze uitweg nog dezelfde?
Spreekt iemand de Mekongmaan
toe
onder de schaduwloze
schaamteloze
verse aanplant
van een reeds gespalkt seizoen?
Zo zwart was al dat haar, vrienden,
zo zwart.
Minoushka toen en nu
De toren aan de Zomerdijk,
de oude trap,
en een klimliedje,
bimbamgeluidjes
op droog hout:
De eerste Odyssee.
Ook toen al
wilde je naar boven.
De kinderen van nu,
willen ze niet meer met je spelen
zoals vroeger in de uiterwaarden?
Is het soms
omdat jij hier
het enig kind van toen en nu,
de hoofse torenvrouw
in spe,
de hoge kamer met
het verre uitzicht
bent?
Wat staat te doen,
wanneer je mummie
niet ontdekt is
en nog sluimert
als een anker
in een uitspansel
dat van geen wijken
weten wil?
Een kind
heeft ergens pijn.
Geluiden sterven
kaatsend in het
voorjaarslicht.
Er is niets
Nu ik de eigen
tand des tijds betast,
lijkt het me wel
alsof er niets is.
Wat ik vermoedde
uit oud weten,
heeft niets voortgebracht
en achter witte muren
in de vroege morgen
kreunt een oude man.
Nu niet bang zijn
als de tekens
om bezinning vragen.
Er is niets.
Ik weeg mijzelf
alléén.
Het Opheliawater
Het dierbaar loofsel
stelt gerust
in vergezicht,
coulissenparadijs.
Het lot is goed.
Onder het slootjeswater
ligt Ophelia.
Ik in het licht
en op het brugje,
talmend in de geur
van park en bloem...
Zó, schele rozen die ik
zoetheid-,
opslag, die ik kracht
toesprak!
Het zwelt onder de
zomerspiegel;
borrelend accoord
van haar
oud kantelend lijk.
Grootmoeder op zaal
Ingekwartierd. De smalle trotse rug temidden
van afzandingen van menselijk ras nog
koninklijk en ongebroken. In mijn zog
van binnentredend omzien, oogcontact. Te vinden
hebben wij elkaar. Toch treft mij, staand,
zij zittend, uit die roekeloze heersersblik,
herkenningsvreugde van man tot man. En ik
weerkaats haar fonkelende krijgerslach, maar vérgaand
hol, te dun, vergaat het mij. De doffe zaal
lepelt ontworteld lot. In haar te ruime jurk
weer bij zichzelf terug, raakt nu een ruig verhaal,
vergeten en ontvreemd aan dit leeg uurwerk.
Zij kruist hier nu alleen. Een boterham. Ik hurk
een beetje bij haar, zij mij zelfs dement te sterk.
Oshin
Bedenk wel
kind
- en het kind luistert nu
zoals alleen japanse
meisjeshoofden buigen -
jij bent
haar bediende
en al lijken jullie dan
vriendinnen - zo is 't niet.
Men ploegt het zwarte veld,
trotseert de winterzon,
tekent de hoofden
van de slachtoffers van morgen.
En wij zien wel
dat het uit de hemel
kettingen en lepels regent
en dat onze staart
in 't water slaat,
maar zeggen niet
- al was het maar
om onze eigen kinderdromen
droog te houden -
jij bent óók een koningin!
Samenzijn
(Sauveplantade)
Zacht zilver en vreemd wit
vervult de nachtmaan
de valleien en de velden
en trekt lichte nevels
om het land dat voor mij ligt.
De stenen zwijgen:
het terras, de borstwering
als van een burcht, ja heel
het middeleeuwse huis
dat bij mij hoort,
ofschoon het nimmer
van zijn meer dan duizend jaar
mij ooit verkondde
van geheimen en betekenissen
en verbonden
die tussen ons wellicht bestaan.
Beneden staan de struiken
als soldaten in gelid,
heffen hun armen
als een compagnie van doden,
luisteren naar hoe de maan
hen streelt, muziekgelijk.
Gewekt door deze klanken,
mij de verlossing afsmekend
die ik niet geven kan,
zal weldra hun bloed
wijn worden.
En weer speur ik,
het eeuwig silhouet van deze bergen
die ik liefheb aftastend,
langs deze horizon.
Eens moet immers
de lichtende gestalte
in glorie aan de einder
in een groot aankomen
verschijnen?!
Musique Samrê en Rotterdam
Wat deden mij de klanken
van een oude klaagzang,
opgevangen tussen Angkor en Saigon
toch zo aan lege
Rotterdamse achterstraten denken?
Aan de klinkers, de kozijnenrijen,
bruin in eendere gebouwen, woningen.
Een kroeg, een torenende havenkraan,
een kerk. Een wereld, opgebouwd
in slechte dagen,
uit het gebakken boerengrauw
van fluisterende koude beemden.
Kwam het soms
omdat ik zo gezocht heb
in die woestijn van steen,
de streek van de verschrikking
van te kleine lage landen?
Nooit heb ik zo de hete adem
van mijn wilde wrede zuster,
mateloos als de Mekong
en spiegelend van onontgonnen raadsels
willen zien jagen door de straten.
Nog nimmer heb ik zo
vergeefs gespeurd.
Een wapperend stuk papier
over het plein,
de ritseling bij een straathoek,
kon immers het begin zijn
en de misthoorn van een zeeschip
of het piepen van een kraanarm
in de verte
het geheime teken.
Want de groenzwarte moerassen
en de wouden en verborgen schatten
jachten als onzichtbaar onraad
door het ganse land.
Hoe vaak
heb ik de felgekleurde vogels
horen kwetteren en krijsen
boven Rotterdam!
De schreeuwende Hollander
Het woei gezond. Er liep een wezen dat
schrikbarend schreeuwde door de Leidsestraat.
Een man, de bruine borstrok strak, gelaat
bebaard, een hoge stap. Te leven had
ik nog en meed hem. Driemaal kruiste hij
mijn pad die middag. Druk was het. Zijn blik
droeg fonkelende zwarte koorts. Derrick
greep niet in. Niemand. Ieder ging opzij.
Weer thuisgekomen, kunstboek in de hand
genomen, bladerend, vond ik hem bij
verrassing levensecht terug. Verstand
ontweek mij. Adriaen Brouwer had hem reeds
geportretteerd als 'Man met Punthoed': Híj,
voortvluchtige uit de Gouden Eeuw. Nog steeds!
1 April '83 (goede Vrijdag)
Schumann
De kamers graf geworden
onder witte lakens
klinkt pianospel.
Het regent maar ik zie
diezelfde lakens nu
boven Napolitaanse straten
waaien. Vrede.
Open ramen stenen echo
van geluid en licht
en kinderspelen
ik heb lief.
Spitsuur
Een grasperk dat
de drukke weg omzoomde
en een fietspad,
roze tegels door het groen gelegd.
Zelf aan de overzijde
zag ik over autodaken
een paar kinderen
op het gras.
Een jaar of tien
een stuk of drie,
een fiets, een beetje
ruzie, pochen, duwen, er
was ook een hond bij en
zo nu en dan
schoof er een vrachtwagen
voorbij die me het zicht
ontnam.
Toen had opeens
een mager meisje,
fietsstuur aan de hand,
zich hollend losgemaakt.
Haar hoofd en schouders bogen
links en rechts extatisch uit.
De zojuist toegebrachte wonde
zat van binnen,
zat daar eigenlijk al
sinds de middeleeuwen
en zij gaf zich over,
De achterzijde
van de fiets
bonkte hoog op
door voor mij onzichtbare
gemene aardwerken en
door de stenen rand
waar gras en tegels
vloekend antichambreerden.
tijdkamer
ja het zal mogelijk zijn
de tijd waarin
onmogelijk onmogelijk
zal zijn geworden
waarin een wens
vervulling
en een gedachte
fenomeen betekent
waar in de tijdkamers
de opgeroepen doden
naar believen
scenes van weleer
herscheppen
en waar iedereen
zijn wereld
duurzaam ís
zo gaan we
ongemerkt
weer door de bossen
sluipen
tot het kraken
van de takken
onder blote voeten
weer gehoord wordt
en de tijger
weer gezien
de eerste keisteen
wordt weer opgenomen
Uitvaart
(Nico Verhoeven, Bolsward 14 Feb.'74)
Door de klokken
van het koude stadje
overbeierd
klinkt het
stap op steen.
Ik loop
de stoet en ik
en hij
de stille straten
stap op steen.
Ik draag
wij dragen
uit het vlees gereten geest
en wat het rest
heen
harde huizen
klinkers
stap op steen.
Ik zie
de oude toren
vierkant in het gras
en steen
stoep stap stoet
stap op steen.
verantwoording
(wat blijft is:)
ik heb
af en toe
teder een straat
betast
ernaar gekeken
ik ben
hier en daar
geweest
soms heb ik nog
iets
even
vastgehouden
In memoriam Stefan Lubiensky)
De aarde verlaten
Dan, als ik afstand nemend,
tuimelend ruimte verwerf
en omzie, lieve aarde,
zie ik wat ik zo gezocht heb
in jou gespiegeld terug.
Koning Bedelaar! Eén waren wij
éénmaal, tweemaal, immer.
Terugkomen zal ik met mijn buit
aan goudlicht. Wacht!
Weldra weer werkend,
zoekend,
samen.
Van de groep verweesde,
licht gehandicapte jongens,
uit België naar de mondaine
bergsportplaats in Zwitserland
gekomen,
zwaait er één waarschuwend
en uitzinnig naar mijn auto.
Als ik dan verderop - glijvlucht
tot staan gekomen - het voertuig
opzwaai en het leeggelopen wiel
verwissel,
komt een groepje hinkend aangelopen
en zo snel het kan.
De witbesneeuwde bergen en de
zomerweiden verhevigen achter hun
zware schoenen, rugzakken en korte
broeken.
In hun zorg en aandacht
voor een goede afloop
neigen de jongens naar mij over
en ik word taktvoller, ja vriendelijk
en handel nog behendiger jegens
de schuin opgekrikte auto.
Maar onder hun in wezen vrome
katholieke woorden over de mijnstreek
en het internaat, het weekje
naar de bergen,
bereken ik mijn kansen en de zorgen
die een metamorfose
van zo'n ontmoeting
in een verre toekomst zo al brengen kan.
Voyeur
Wanneer mijn oog
vanaf 't balcon
de milde avond meet,
waar achter vele ramen
aan de overkant telkens
de schemerlamp een samenzwering
omtrent huiselijk geluk
bestiert
en waar ergens
een meisjeshand
het slaapkamergordijn voor driekwart
sluit,
leg ik in één klap
alle klokken stil.
Waar toch is
het arsenicum verborgen?
In welke kamer
hebben zij hun slachtoffers
opgebaard?
Weerzien
Als zij
die reeds gestorven zijn
in mij
omzien en kijken
naar de lichte kamers
waarin ik mijn kindzijn
achterliet,
zie ik het eiland
waar de albatrossen komen
in het snijdend grijs
dat, als de herfst
hier nadert,
dáár de eerste hoop
op poolvoorjaar betekent,
en is de lange nacht
voorbij.
Hoe komt het toch
dat het hartstochtelijk verlangen
naar wat ons kind deed zijn
zo ongekend ver weg
smachtend moet branden,
waarom toch hebben wij
elkaar
zo lang niet weergezien?
Stil drijven
uit de nevels
de eerste ijsbergen
als dode kinderen
de baai in
en lopen dan
geruisloos aan de grond.
So lass' die Götter
Ihr gut' Werk
an mir verrichten;
will meine Seele
endlich doch durch Pein
geschmiedet sein
24/09/83
...en de gestorvenen,
zij allen zwijgen.
Laat staan dat er zich
engelen of goden openbaren
of hoge wezens ingrijpen.
Aanzie mij toch!
In weerwil dan. Ach!
Telkens weer wil ik het vers
een toverwoord
doen zijn.
De vrede van Zwitserland
Hoog op de bergkam
waar aan de overzijde
van een zonnig dal de
grijsheid grimmig woont,
troont, uitstulpend
bijna als een burcht,
een rotsformatie
die daar vreemd lijkt.
Ooit moet daar iets
gedacht zijn, een hoog
voorstellen dat vorm
aannam en sterker was
dan het omgevende
getande gesteente.
Weer beneden aangekomen
waar de mensen wonen
in liefelijke houten huizen
tussen fluwelen weilanden
en donkergroene bomen,
slaat aan een raam een vrouw
een grote witte handdoek uit.
Een ver en langzaam waaien
en beduiden
dat de vrede thans
getekend is.