Het afnemende licht

De tekenen van levend vuur
die oude helden
boven onze wereld hieven,
keerden in het herfsttij
van de groten
tot zichzelf in.
In hun verstilling spiegelend
wat was,
in hun vermindering,
laten zij weldra ons
die achterbleven,
wij die onszelf niet vonden
en de grootheid
niet bezaten, achter
als in het koude duister
dat na een groots festijn
met vuurwerk
vallen moet.


 

Afscheid van de metgezel

Nu ik jou
bij ons scheiden pas
gewaarword, broeder,
zie hoe je mij
gedanst hebt
en gesproken,
hoe mijn lach,
mijn liefde, steeds
de zorg en troost maskeerde
die jij mij in stilte gaf,
berouwt het mij.
Mijn helper
die ik niet gekend heb,
drijft alleen af
en zijn echo spiegelt
in de ruimte.
Sta hem bij!


 

Bruidje

Ik ben
achter de hemel
en voorbij
de sterren.
Hier zijn
alleen nog
vreemde vormen
om mij heen.
Maar Hij
is altijd
achter alle dingen.
Ik kom.
Hij wacht,
wacht op ons
allemaal.




Chopin

Zou na de dood iets zijn
als
onder het deksel van een vleugel
mee mogen luisteren
naar
waar mechanica van snaren
tot Chopin wordt
en als lichte geur
hangt
tussen de balcons van Frankrijk?


 

denken

ik dacht
en denkende
herschiep ik mij
de wereld
en mijn gebeente
werd heidens
en mijn bloed
riep om zijn
voorgeslacht




 

De aanwezigheid van de derde

Die in de schaduw
van ons samenzijn
de ketens heeft beklonken
- wij droegen
in Zijn naam
het ijzer aan -
heeft in het weefwerk
tussen onze daden
reeds de bron gedronken.
Wees gegroet.
De eerste schrede
tot verlossing
is gedaan.


 

Het geengezicht

Geef geen gezicht
geen ogen
die verbergen
hoe de blindheid mij bezocht.
Geef geen gezicht
en laat mijn taal
niet toeslaan
waar slechts zwijgen spreekt.
Geef geen gezicht
geen oren
want wie niet weet
hoort wat hij horen wil.
Geef geen gezicht
geen ik
geen mij
geen mijn


 

Geest

Nog is het traliewerk
van onze dagen
tussen ons
en wat aan geest
in ons tot stand gekomen is,
gelegen.
Toch schemert goud
dat zich in ons vormen wil
tot het tot iets van ons
geworden is
ons tegen.


 

Geheim

Werd ooit een plek
door mensenhand gewijd
die niet van aanvang af
tot aan het eind der dagen
reeds van elders
als zodanig
aangewezen was?
Want toen de eerste steen
werd aangedragen,
toen de laatste klank
van zang
en stap verstierf
en toen het ijle water kwam
en rees,
broeder,
bleef wat hier is
zoals het was.


 

De goed en kwaad groet

Zijn gedachten nemen
zwartwit in de ruimte
vormen aan
en worden elders
als waarmerk van werkelijkheid
verstaan.
Kwadrantenspel slechts, liefste,
roep om nacht en ijs.
Want er is niets
achter het groene masker,
niets dat ik niet zelf
zou kunnen zijn.


 

In het hart

Ik zie hoe vele woningen
als kamers
binnensharts gelegen zijn,
het lijkt wel
of daar kleuren wonen
en ik roep
wanneer ik zie
hoe Hij tot leven wekt
wat in ons droomt
en sluimerend
verborgen ligt:
verlicht ook mij!




Hartje

Hartje, zie
ik ben je vader.
Zoals jij
gezocht hebt
zo heb ik
gewacht.




 

Herdenking

De stilte speurt slechts
wat het oog
niet meer,
nog niet,
vermag
en mijn gemoed gedenkt
die langs de draden
van het lot
met ons
verbonden waren.


 

Heidense uitvaart

Ik heb de balken
van mijn bouwwerk
machtig opgebroken.
Ruimte overwint zichzelf,
versterft.
Uit vaart wat in mij was
en werkte.
De in het staal gesmolten schim
van wie ik was
in laatste kracht ontzield,
ik zie hem staan.
Geen klank weerkaatst
de kantelende ruimte.
Ontfermt zich niemand
over wat mij rest?


 

Een Isisgeheim

Een lichaam
werd behoed
en toegedaan
en tot
onsterfelijkheid getooid.
De geest ging heen
en leegte waarde
door de ogen.
En toch,
wat sluimert
tot in onze dagen,
wat droomt in hem
tot in dit tijdperk
voort?


 

 

De werking van de tijdgeest in Johannes

De geest
die
in de tijd verblijft
droeg
mij het hoofd
heen.
Willoos denkende
voert
de vooruitgang voort.
Het keerpunt
van de tijd
kondde ik reeds,
nu wacht
mij hart
en wil,
de dagen lengen
en de wiekslag
van het Woord
wenkt.


 

 

keerpunt

Om mijn lot
sloeg ik de aarde
en het werd mijn leven
en ik wist niet meer
waarom
Nu spiegelt zich
in werkeloos weerzien
wat uit mijn witten wonde
en mijn slaghout
wordt


 

 

Kinderlied

Hoe ver reeds zond mijn blondste kind
de blik als afscheid langs mij heen
toen zij ter wereld kwam;
geluidloos sterrengruis en flonkering
van al het liefste.
Zo zwartgeblakerd als mijn tweede kind
verscheen,
zo schots en scheef gebouwd,
maar van de roodheid van mijn kleed,
vanaf mijn knie,
lacht zij het leven en de dood
in tederheid voorbij.
Lief klein gedrocht,
je blonde zuster,
de mooiste tussen hel en maan,
zend ik steeds verder heen.
Al wat gebeurt is reeds beschikt.
Waarom de tederheid in mij
gesproken heeft voor jou,
het lag reeds in de eerste steen
verankerd.


 

 

kleine kompositie

in wat zich
klein gekaderd
aandient
wiekt de wil
tot ruimte
als een schaduw
binnen




 

De kleine mens

In kleine kleuren
en in vele stukjes
komt de wereld
op mij toe.
Ik sta
in evenwicht
en in het midden.
Zie je wel hoe
ik toch wakker ben?




 

 

Koning

Wat is er van mijn koning,
van mijn held, geworden?
Wat heeft de dageraad
aan onheilszaad
reeds in de kiem
van het ontluikend groen
gelegd?
In welke daad uit onmacht
heeft de schuld zijn hart gewiegd,
gewogen?
Dat mijn koninkrijk
het licht moest zien,
het licht moest zien!




 

 

Kruisiging

Ziet aan, het draaiwerk
waarin de klanken
die het leven zelf
ooit voortbracht
zijn gevangen,
waar de façade schertst
met hoe het menszijn
en de waarheid
werd vervormd.
En elke slag waarmee
de valse tonen klinken
kruisigt Hem
weerom, voor immer.
Zo Hij gestorven is om ons,
zo staat ons bloed
hier afgebeeld
en het genadeloze keerpunt
van het inzicht
wiekt in zijn zwarte tweeheid
telkens weer
aan ons voorbij.


 

 

Het lijden

Is dit mijn paard
waarvan de ogen
zo gewond zijn
dat het zijn blinde lot
niet meer voorzien kan?
Heb ik mijn maat,
mijn makker zo
mishandeld, zo
ontkend?
't Onhoorbare gerucht
dat hij op tijd vernam,
waar is het?
Waar klinkt het nog?
Wie ruikt het onraad
en de bloemen
nog voor mij?




 

 

Magnolia's

Stil schemeren
magnolia's mij toe
vanaf de overzij
en dromen, witte
hoofden luisterend
bijeen, hoe wij
in nacht de tralies
en de tederheden
tellen, die nabij
de koele losplaats van
ontslapenen geweven
worden, zij aan zij.




 

Kleine makker

Ach kleine makker,
metgezel van spel
en lieve dagen
van weleer; zie,
zie mijn handen
en mijn hart,
mijn denken.
Kan ik,
kan ik weer
met je mee?


 

 

Mara's dochter

Ik fluister
stille schoonheid
spiegelende liefde
als een melodie,
een berghelling papaver.
Kom in de nacht
dan valt de maagdenspiegel open
en duizend bloemen weemoed dorstend
lust het mij.
Die weet,
die komt
maanlichtgelijk.
Die komt
die vindt
wat hij onder zwart licht smachtend
reeds zo lang vergeefs
als erfdeel zocht.


 

 

Mom

In Babylon heb ik jou
je sandalen aangegeven
en wij rookten samen
sterke pijpen in het Westen
onder de vorstin
van de gevaren.
Elders weer joegen wij
eendere gebeden
over vlak heet land.
De sabelwitte Pamir
hebben wij gediend. Op de
besneeuwde flanken
waren wij zijn herders
en zijn knechten.
Kundig brachten wij tekens
aan, sterkten de wanden,
richtten zuilen op,
brandden onsterfelijke vuren.
Over de toppen
van bronstige zeeën
smokkelden wij wierook,
slaven, prille vrouwen
en woedden met onze winsten
door bloedhete holen in
Mukallah, Zanzibar.
Ooit heeft de roekeloze Andes
onze lach weerkaatst
en veel meer is geschied.
Nu ordelijk,
ordentelijk bijeen
tussen achturendagen
lijkt het
alsof er nimmer iets
ooit was van deze dingen
en of alles zomaar
en toevallig is.


 

 

De zwarte monnik

En is de avondhemel open,
dan komt hij, schalks
en vliegende op kleine voeten.
Dan, lachend om ons leven,
om onze daden hier beneden,
neemt hij onze hoofden
even in zijn handen
en is heen.
Over de duisterende landen
nacht het werldra.




 

 

Magister

Het was geen streven
en geen zoeken,
niet: bereikt
en geen vervulling.
Er was geen wens,
geen weg,
geen tijd.




 

 

Nachtvogels

Achter de schuilplaats
van mijn dromen
zie ik de vogels
van een onvervuld verlangen.
Kiemen en behoeders van gestalten
- elk van hen zal ik eens zijn -
in het broedsel, in het licht
en bloed
dat komen moet.


 

 

De onstuitbare vermeerdering

Nu is de bloesem
van vermeerdering door deling
weer en weer,
ontloken.
Als een koekoeksjong verborgen
werd de vrucht ooit
in het warme nest gelegd.
En weldra woekert over onze wereld
helse papaver in scharlaken veelheid
en geurt, betovert onverbiddellijk.
Hoe vele helden zijn niet reeds
in vrede en ter ruste?




 

In het oordeel

In het oordeel
waar in duisternis
het uiterst recht
behoed wordt
staat
het hersenschimmig tribunaal
waar alle sporen
van let leven
samenkomen
en het weegt genade
tegen waarheid af
onwrikbaar
als een arbeidsuur
en even onontkoombaar
staan ook wij
gedagvaard.


 

 

 

Ik ga daar heen
en zie dan wel
hoe het woestijnlicht okert.
De ballonnenzonnen knappen
als bij toverslag
de hemel in.
Mij is een paal gezet
aan weerszij
en er staan nog meer
geheime tekens
die mij sterken.




 

 

Pangaea

Maan van het water
en de oceaan! Gezel!
Hoor hoe mijn roep kaatst
tegen het graniet geduld.
Hoe langzaam keert
het blinde verlangen
niet slechts ons lot,
maar het verlangen zelf
keert zich dan om
tot eeuwig zwenken.



 


Pasen

Op een middag
was ik heel erg sterk
en iemand
had mij lief
ik liet haar zien
wat ik zou kunnen.
Maar aan de overzijde
riep een kind
dat in een ei
een touwtje sprong:
Ik kom! Ik kom bij jullie!
Twee kuikens in de tuin
tussen de bloemen
waren stom
in hun verbazing
en bewondering.
Dat ik dat allemaal kon!


 

 

 

Rabbi met rozen

Hier!
Rozen!
Handenvol!
Rozen van de lichtheid
en de geur van leven.
Want als het zoeken
ophoudt
Zie!
dan is de weg van wet
en recht
zo rozenrood omzoomd,
zo vol
zo zoet
zo mild
en geeft het leven
en de dood
weerom.
Zie!
Rozen!
Overal!


 

 

 

Regenend Blauw

Toen regende het blauw
de wereld binnen
in de tijd dat de
gesteenten en de oceanen
nog niet gescheiden waren,
onder het ontwakend oog,
blind licht,
immer getuige, nimmer oordeel,
van waar begin bestaat
noch tijd
noch einde.




 

 

De eerste reis

Nu, lieve vriend, vaarwel.
De bloemen zijn geplukt,
het koren is in schoven bijgezet,
de zoetgevooisde bomen vieren
ons uiteengaan met ballonnen.
Het vagevuur van ons vaarwel, mijn hert,
wenkt reeds en wacht
achter de akker van het laatste
paradijs.




 

 

Het rode licht

Ik was het vuur.
Toen schouwde ik mijzelf
en werd tot gloed getemperd.
De warmte van mijn wezen
bleef.
De wildheid klonk mij toe
en hief de kelk
ten afscheid.
Mijn mateloosheid vlood
zonder vaarwel.
Ik zie
ik ken
mijn kern.
Mijzelf zichtbaar
vorm ik mij.
Ik word
ik ben.




 

 

Vierkant Rood

Vierkant in het rood geklonken raderen
en onderdelen van gesprongen passie,
het laatste kermen werd in spinraggen
van sluiers tot een kleed versteend.




 

 

Schaap met vijf poten

Een farao die ongeduldig was
heeft mij geschapen.
Omdat hij niet kon wachten
moet ik nu
hier staan tot het mijn tijd is.
Ondertussen moet ik eten.
Bloemen en knollen krijg ik
voorgezet.
Maar al die tijd ben ik alleen,
word ik nog niet gebruikt
en niet geaaid.


 

 

De schuld

Mijn gelaat
is groen geworden
onder de zotskap
ons verbond.
Uw witheid
tekent mij
hoe ik u sloeg.
De wereld schouwt
de schuld niet
die ik schuilhoud,
noch de keten
die ons samenbindt,
noch u, gezel.




 

 

 

Sint met kalf in de nanacht

Kijk
als je niet slapen kan
tussen de sterren.
Daar gaat
de Sint voorbij
en er is ook
een kalf,
blauw,
bij hem
dat hem daar
behoedt.

 

 

Slaap




Wanneer

de nacht komt

gaat

mijn kleine tuin

van dromen

voor mij open.

En zachtjes,

in geluk begroetend

die daar wonen,

ben ik

in hen,

zijn zij

in mij.


 

 

 

Het Slaghout

Wie heeft het slaghout
ooit zo
in zichzelf gedreven,
de Mekong ontmand,
de fluisterende groene nacht
uiteengereten.
Zachte nacht.
Mekongmaan.
Zo zwart het haar.
Zo zwart.




 

 

De smart

Droomde in mij
de ziel niet altijd reeds
van afstand doen,
van afscheid
tussen uur en tijd
tussen uitvoerder en rechter?
Ik weet mij,
zonder verzoening of erbarmen
toch zonder innerlijke strijd,
tussen uitvoerder en rechter.
Hetgeen geschiedt,
het wordt aan mij voltrokken.
Doel en betekenis
ken ik niet.


 

 

Stad der smarten

Was ons hart
winter,
was ons hart
nacht,
toch heeft daar
iemand
ongemerkt
de gloed van smart
onststoken.
Nacht is niet boos meer.
Langzaam
langzaam
wordt ons hart
vurig,
wordt ons hart
licht.


 

 

Spotvogel

De ogen toegeknepen
met het aureool
van eigen wetten
schrijdt hij hautain
het zwartwit
van zijn
universum binnen.
De scherpte
van zijn snavel
is paraat,
zijn slagwapen
gereed.
Hoe kunstig
echter
is zijn eigen kleed
versierd
want met de mantel
van de liefde
dekt hij
zichzelf alleen.


 

 

Sprookje

Eerst was de appel,
toen de slavernij.
De tijd ontrolt zijn lint.
En toen de wil tot leven
weer verscheen,
werd een slavin
tot hoedster
over goed en kwaad.
De appel
was een farao geworden.


 

 

Een touwtjesspringend tuiltje

Zingend
springend
in het blauw
de korenbloemen
zijn van jou
de wereld is ontloken
de ketens zijn gebroken
en alles springt nu
uit de tijd
bloemen
in alle eeuwigheid


 

 

Vader

Ik heb
mijn zwarte vader
nog zien dansen
en zien kloppen
in de nacht.
Wat hij
de lucht in dreef
bootste de stam
hem na
tot zij
onmerkbaar
tot de dood gedanst
het nevelende veld
de stilte liet.
Hoe, vader
word je weer
een vlinder?


 

 

Een vederen vriend

Vang mij niet
vang mij nimmer.
De zwartheid heeft zijn eigen stem
en teken.
Luister niet naar mij.
Kijk naar de dingen.
Zie hoe zich het voorval plaatst.
Hoor hoe de tijd zijn einde in zich draagt.
Weet dan te wachten.
En als het nieuwe nadert,
weet dan te doen.
Maar luister niet naar mij,
de zwartheid heeft zijn eigen taal.
En vang mij nimmer,
vang mij niet.


 

 

De verkondiger van het licht

Reeds is mijn roep de dageraad,
onder mijn teken wordt het kleed
geheven
en de sluier van de nacht
gelicht.
Die ik getuig,
die mij het licht gaf
en het hart ontbrandde
en tot weten voerde,
ploeg ik de zwarte grond.
Ik splijt de steen.
Ik scheur de stilte open,
wek de doden.
De tijd slaat om,
geef acht,
het einde van het lange wachten
is nabij.


 

 

De versierde mens

De gele banen van het denken
zijn als een stalen kapseling
om het gemaskerde gelaat geklemd.
In weerwil echter van de analyse,
van de bepantsering, het rijk
van helderheid waarin hij heerser is,
is buiten de oevers van zijn weten,
als kinderlief en kinderleed
het leven in beweging.




 

 

Vioolnacht

De trossen losgeslagen
zinken wij
de wereld achter onze dromen
binnen.
Want voor dat alles was,
voordat het woord
gesproken werd,
droomden, violierden
werelden in zwanger water
en was de geest
een vleugelende lach.
Ja, ons kent ons,
wat wij geweest zijn
zullen wij weer worden.


 

 

De vitrioolgroet

Reeds voor de eerste groet op aarde kwam
als afscheid
hebben wij elkaar bemind
en schreven wij de tekens van ons samenzijn
met vitriool op bruine steen.
Zie, één voor één
halen wij nu de tekens binnen
van toen,
van voor de eerste groet op aarde kwam
als afscheid.




 

 

De dood in Vlaanderen
(the fortune of war)

Die op de schemerende velden,
niet tot het graf geteld,
als wind over de kale akkers joegen,
werd als symbool in steen gegeven
wat hen aan graf ontbrak.
De veelheid van hun namen
was een stad gelijk.
En altijd maar zoekend wie zij waren
zwierven zij.
Die zich hervonden,
scheidden met de jaren.
Nog hangt de lucht zwaar,
zwanger ligt de groene grond.
Zie, hoe de laatste raven
rond de torens dansen.
Roep hen als nieuwgeborenen,
oude geliefden,
roep hun namen!
Want zonder onze stem,
ons mededogen,
vinden zij
zichzelf hier niet.


 

 

Vuurkamer

Vijf treden
leiden naar het vuur
dat hoog in de pagode
koel beheerst wordt; wacht.
Wie kan
zo ongeschonden
de ontmoeting met het vuur
doorstaan
dat hij
als wie hij was
de treden weer
omlaag kan gaan?


 

 

Weerzien

Als zij
die reeds gestorven zijn
in mij
omzien en kijken
naar de lichte kamers
waarin ik mijn kindzijn
achterliet,
zie ik het eiland
waar de albatrossen komen
in het snijdend grijs
dat, als de herfst
hier nadert,
dáár de eerste hoop
op poolvoorjaar betekent,
en is de lange nacht
voorbij.


Hoe komt het toch
dat het hartstochtelijk verlangen
naar wat ons kind deed zijn
zo ongekend ver weg
smachtend moet branden,
waarom toch hebben wij
elkaar
zo lang niet weergezien?
Stil drijven
uit de nevels
de eerste ijsbergen
als dode kinderen
de baai in
en lopen dan
geruisloos aan de grond.




de wonderbare reis

mijn schip verging
ik werd een inktvis
in de rode zee
al heel lang
zie ik vreemde dingen
verhalen ongekende dieren
en verdronken steden
spoken zachtjes wiegend
met mij mee
waar gaat het heen?
ik ken hen niet
vreemd volk ik denk
ben ik soms met hen
één?


 

 

De heilige zwarte stad

In de schaduwen van de stad
zie ik gezichten
daden
en gedachten
tot zwart tij samensmeltend
man na man.
En ik denk
wie is hun moeder?
Lieve moeder
wieg hen dan!